Uiterlijk, karakter en gedrag

Vachtverzorging en uiterlijk.
De Grand Basset is een qua maat middelgrote hond met z’n schofthoogte van 39 à 45 cm. komt hij ongeveer tot je knieën maar qua lijf en kopgrootte is het een grote hond maar dan op korte pootjes. Ze wegen zo ongeveer 20-24 kg. 

De Petit Basset heeft een wat handzamer formaat nl. van 33-38 cm en dus een kleine hond en weegt rond de 15 kg. 

Ze kunnen in allerlei kleuren voorkomen waarbij eenkleurig niet aan te bevelen is De meeste kleuren die je ziet zijn, oranje (lemon)/wit, bruin/wit, bruin/zwart/wit, zwart/wit, grijs/wit, haaskleurig/wit, dus eigenlijk altijd met wit. De hoeveelheid kleur of veel of weinig vlekken, mantel of geen mantel, het maakt allemaal niet uit en mag bij een keuring dan ook geen rol van betekenis spelen. 

Eén van de kenmerkende dingen van de Basset Griffon Vendéen is zijn ruwharige vacht. Deze vacht beschermt de hond tegen doornen, takken, vocht, prikkeldraad e.d. tijdens zijn werk. Een goede vacht behoeft weinig onderhoud, 2x per jaar plukken is voldoende om de vacht in een goede conditie te houden. 

Natuurlijk moet hij wel wekelijks gekamd en geborsteld worden. Honden die naar een show gaan worden niet geheel ‘kaal’ geplukt maar meer gestript en daarbij wordt het hoofd op een bepaalde manier getoiletteerd. Zou je dat niet doen dan vallen de haren op het hoofd voor de ogen en krijg je het effect van een Bearded Collie en dat mag dus niet! De standaard omschrijft precies hoe de hond eruit moet zien en met het trimmen van de vacht probeer je dat zo goed mogelijk te benaderen.

Karakter
Hoe zit het met het karakter van de Basset? Een Grand Basset is in principe een rustige, vrolijke, eigenwijze, pittige (vooral in de pubertijd) maar zeer sociale en evenwichtige hond, die letterlijk z’n neus achterna loopt. De Petit Basset is veel onstuimiger en wat meer bijdehand, hij zal eerder op onderzoek uitgaan en wil overal met z‘n neus vooraan staan; hij wil niets missen zogezegd. De Grand Basset daarentegen heeft al gauw zoiets van: komt het vandaag niet dan zie ik morgen wel verder‘, ze zijn dus wat laconieker en meer stoïcijns. De Grand Basset is niet bang voor onbekende dingen maar vaak wel afwachtend en/of aftastend.

Wat de jachtpassie betreft: je kunt aan een pup niet zien of hij wel of niet jachtpassie zal krijgen. Je moet er vanuit gaan dat iedere Vendéen dat heeft. De honden die geen jachtpassie hebben zijn de uitzonderingen. Natuurlijk zal de één er meer aanleg voor hebben dan de ander maar het betekent wel dat de hond zodra je hem los laat z’n neus achterna gaat. Je kunt deze passie in goede banen leiden als je maar bereid bent de nodige (gehoorzaamheid) cursussen te gaan volgen. Dat zal echter nooit kunnen voorkomen dat hij niet gaat jagen, het is een instinct en dat krijg je er niet uit. Alleen een hond die weet wie de baas is zal eerder terugkomen en dat voorkomt uren wachten in het bos, op de hei of in de duinen.

De Vendéen is een echte meutehond dat betekent: hoe meer zielen hoe meer vreugde. Samen voelen ze zich ook sterk(er) en hebben ze meer lef. De honden zijn zeer vriendelijk en zeer betrouwbaar. Kinderen zijn hun grootste vrienden....mits de kinderen de hond met respect en eerbied behandelen. Het is evenwel nooit aan te raden om vooral kleine kinderen alleen te laten met de hond (dat geldt voor ieder ras). Het zijn en blijven dieren die instinctief kunnen reageren en meestal begrijpen de kinderen de hondentaal niet. Ook kun je er geen controle op houden als je niet in de buurt bent en de hond krijgt altijd de schuld als het mis gaat! Ik heb met mijn eigen dochter beleefd dat ze een pup van 3 maanden aan die leuke, handige, lange flaporen van de grond tilde. Het gevolg was een gillende pup, die overigens niets deed, en een huilend kind dat zelf van mij moest ondervinden hoe zeer dat deed, aan oren trekken. Ze heeft het nooit meer gedaan. Je moet zowel kind als hond opvoeden.

Verder kan een Basset Griffon-pup je met gemak om z’n poot winden want ze zetten een treurige blik op en doen ‘zielig’ en voilà het pleit is gewonnen. Ze zijn zeer intelligent, hoe hoeft de meeste dingen maar 1 of 2 x te doen en ze weten het al. Of ze ook daadwerkelijk luisteren is een ander probleem want dan komt hun eigenwijze karakter weer naar boven. Als ze het nut er niet van inzien dan doen ze het ook niet. Soms zie je ze echt denken: "zal ik wel of zal ik niet?". Je moet als baas echt consequent zijn en soms ook doortastend, een flinke correctie is soms echt nodig. De Basset heeft namelijk wel een leider nodig; dat betekent dat de baas zich ook zo moet gedragen, doet hij dat niet dan neemt de hond ongetwijfeld zelf het heft in handen en zal hij precies dat doen waar hij zin in heeft. De dominantere types (dat geldt voor zowel reu als teef) kunnen dan echt tot onhandelbare (lees: eigengereide) honden worden die hun eigen baas spelen en natuurlijk met alle gevolgen van dien. Een dominante hond die bijvoorbeeld gaat grommen of erger nog gaat uitvallen is vrijwel altijd een opvoedingsprobleem: er is gebrek aan leiderschap van de baas. Vaak krijgt de hond (of soms zelfs de fokker) de schuld en de hond wordt dan ten onrechte als agressief betiteld. Krijgt zo’n hond de baas die hij/zij nodig heeft dan is er niets aan de hand. Te veel mensen denken dat ze met een "lullige" Basset te maken hebben die niets te leren valt en die zich alles laat welgevallen en dat is beslist niet zo! Om een goed opgevoede, sociale en evenwichtige hond te krijgen is het ten sterkste aan te bevelen om met de hond een gehoorzaamheidscursus te volgen. ‘T liefst meerdere opeenvolgende cursussen en ook zo vroeg mogelijk er mee beginnen. Wat de hond op jonge leeftijd "met de paplepel krijgt ingegeven" , verleert hij niet zomaar en dat geldt voor de goede dingen èn.... de slechte dingen. Het is dus zaak om zo vroeg mogelijk de goede dingen aan te leren en op een cursus leer je dat het beste. 

 Veel Grands Bassets lopen al met gehoorzaamheidsdiploma op zak en niet zelden eindigen ze bij de besten in de groep.....als ze er zin in hebben die dag! Ook behendigheid vinden ze erg leuk alleen zul je niet hetzelfde resultaat bereiken als met een bv. een Border Collie. Dat ze heel sociaal zijn werd weer eens bewezen op een Nationale d’Elevage te Frankrijk door een meute van 6 reuen die aan 1 lijn aan elkaar zaten en rustig lagen te slapen in de ring en af en toe werd er eentje uitgehaald die dan gekeurd moest worden en dat alles zonder één vertogen woord. De meeste fokkers houden de honden in kleine of grotere groepen, natuurlijk zijn er wel eens schermutselingen maar dat is om de rangorde te bepalen. Vooral tussen de jongere honden gebeurd dat nogal eens en de oudere honden die al een vaste plaats hebben in de meute bemoeien er zich niet eens mee. 

 Het wegvallen van een leider in zo’n meute kan wel de nodige problemen opleveren want dan moet er een nieuwe leider "gekozen" worden en dat is geen democratisch besluit maar bij de dieren is dat nog steeds het recht van de sterkste. Dat kun je als baas alleen maar respecteren al wordt je lieveling het niet; er is geen plaats voor sentiment.

Oorsprong

Hoe ontstonden onze Bassets Griffons Vendéens?
De eerste beschrijvingen van een Franse Basset is gegeven door Jacques du Fouilloux (1561) die het toen al had over een kortharige Basset (Basset à poil ras) en een langharige Basset (Basset à poil long) die men voor de jacht onder de grond gebruikte. Waarschijnlijk doelde hij op een Terriër en / of een Teckel. Volgens dhr. Dunoyer de Noirmont vinden ruwharige / langharige Bassets waar du Fouilloux over schrijft, hun oorsprong in de Terriërs die van Schotland kwamen. Dat er inderdaad een scheut Terriër-bloed in zit is niet geheel onwaarschijnlijk. Le Couteulx deelde die mening echter niet. Volgens hem ontstonden ze door mutaties van de Grand Griffon Vendéen en door de strenge selectie in de laatste 25 jaar van de vorige eeuw, gedaan door zeer consciëntieuze fokkers die heldere ideeën hadden over het fokken van homogene honden. Deze honden vererfden hun goed herkenbare Basset-type. Enfin het fijne over het ontstaan van de (Grands) Bassets Griffons Vendéens zullen we wel niet kunnen achterhalen. Verschillende fokkers waren succesvol o.a.: Graaf d’Elva, dhr. Villebois-Mareuil, dhr. Ambaud en daarna natuurlijk dhr. Paul Dezamy, die zijn type als model voor het ras Grand Basset Griffon Vendéen heeft gemaakt. Beroemde honden uit de kennel van Paul Dezamy begin deze eeuw, waren o.a.: Garibaldi de la Levraudière Picador & Farino de la Levraudière.

Aan het eind van de vorige eeuw waren de Bassets Griffons Vendéens zeer gewild onder de jagers. De honden waren sterk van gestel en geest, ondernemend van aard, vurige jagers met een flinke dosis doorzettingsvermogen. De fokkerij in die tijd was echter verre van homogeen zowel qua type als constructie. Er werd in Frankrijk een Club du Basset Français opgericht die alle Bassetrassen onder zijn vleugels had want tenslotte kampte men allemaal met hetzelfde probleem. Deze club maakte voor diverse rassen een standaard waaronder die van de Basset Griffon Vendéen. Deze voorlopige standaard werd in 1898 opgesteld en in 1904 definitief aangenomen en het ras heette toen nog Basset Griffon Français.

In 1907 werd de Club du Basset Griffon Vendéen door o.a. Paul Dezamy opgericht en die hield zich alleen bezig met de ruwharige varieteit onder de Bassets Français. Pas later is deze Club omgedoopt tot de Club du Griffon Vendéen zoals hij nu nog bestaat en omvat de vereniging alle 4 de rassen van de Griffon Vendéen. Van meet af aan waren er 2 types Basset Griffon ; één met rechte benen (à pattes droites) en één met half gedraaide benen (à pattes demi-tors). De Basset Griffon met rechte benen was de grootste van de twee en was de voorouder van wat we nu als Grand Basset Griffon Vendéen kennen. De kleinere honden met half gedraaide voorbenen was op zijn beurt de voorouder van wat tegenwoordig de Petit Basset Griffon Vendéen noemen.

Historie
De witte kortharige Chien de Vendée (+ 60 cm en meer) wordt beschouwd als de voorvader van de Griffon Vendéen. Deze witte kortharige Vendéen onstond uit kruisingen van witte Chiens de St. Hubert en de beroemde Chiens Blancs du Roi ( de grote witte Koningshonden) maar hij is al geruime tijd uitgestorven.

Graaf Couteulx de Canteleu schreef in zijn eerste boek - La Vénerie Française uit 1858 - dat handelde over de Vénerie ( de traditionele jacht met de meute ook wel de Chasse à Courre genoemd), over de honden uit de Vendée het volgende: " edel hoofd, soepel oor, dun, lang en goed vallend, de vacht is kort en fijn en de staart is dik bij de aanzet en geleidelijk dunner wordend aan het einde". Het was dus een kortharige en edele hond. De Markies de Baudry d’Ason had nog de beste honden van dit ras in die tijd en sommige dieren uit zijn meute hadden ruwhaar of half-ruwhaar.

Hoe kwamen ze aan die ruwe vacht?

Het was één van de kenmerken van de Segusii. Zij hadden ruwe donkerharige vachten. De naam Segusii is afgeleid van de naam die de bevolking in het gebied tussen Lyon en Bresse ( tot bij Mulhouse) had. De afstammelingen van deze honden werden de "Chiens de Bresse" genoemd en zij vielen niet in de smaak bij de ‘hoge heren’ en werden normaal gesproken niet gehouden in de meutes van de adel. De honden waren boers, donker gekleurd en ook nog ruwharig zodat ze bij hun edele, lichtgekleurde en kortharige soortgenoten in de schaduw stonden. De jachtkwaliteiten van deze Chien de Bresse werd echter alom gewaardeerd omdat ze zeer ondernemend en vasthoudend van aard waren en hun mannetje stonden als het om grof wild ging. Vooral de jacht op (flinke) wolven en ander minder vriendelijk wild zoals wild zwijn en beren (dat hadden ze nog in die tijd in Frankrijk) bezorgde hen hun reputatie als uitstekende en veelzijdige jachthond. Dat is waarschijnlijk de reden geweest dat men uiteindelijk enkele van deze Chiens de Bresse heeft gekruist met de witte kortharige Vendéen en de Chiens Blanc de Roi, om zo te zeggen het functionele en het mooie aan elkaar te binden. Het resultaat was een grote ruwharige, bont gekleurde hond waarbij oranje/wit de voorkeur had. In de Vendée bestond het ras Griffon Vendéen waarschijnlijk al langer maar het was pas na de revolutie 1878 en de sociale veranderingen in de 19e eeuw kwam het ras pas goed tot ontwikkeling. We hebben het over de Grand Griffon Vendéen die vooral geroemd werd voor zijn moed en vastberadenheid voor de jacht op wolven.

Jacht

De Grand Basset Griffon Vendéen is een ‘Brakkensoort’ en is oorspronkelijk gefokt om in meuteverband (4 tot 6 honden) het haas op te zoeken, op te stoten en te achtervolgen, de zogeheten drijfjacht dus. Later zijn daar wildsoorten bijgekomen als konijn, ree en wild zwijn. De Grand Basset is de enige van de 4 Griffon Vendéen rassen die ook op al deze wildsoorten proeven mag afleggen in Frankrijk.  Het is dus een veelzijdige gebruikshond die zelfstandig moet kunnen werken. De manier van jagen verschilt dus met andere jachthonden zoals de Retrievers, Spaniëls en Staande jachthonden. Dat zijn in principe allemaal honden die pas op aanwijzing van een jager werken. De Petit Basset wordt gebruikt, meestal in groepjes van 4 om het konijn op te sporen en te achtervolgen. De Petit moest dus ook kleiner en behendiger zijn dan de Grand Basset om zo, in de dichte bramenstruiken, het konijn te kunnen achtervolgen.

Ze zijn zeer slim en snijden vaak het konijn de pas af, uiteraard zal het konijn proberen zich in het dichtst bij zijnde hol te verschansen. Tegenwoordig worden de Petits als het niet om een proef gaat, ook voor de jacht op vos gebruikt en kunnen ze ook goed reeën op de been brengen. De Brakkensoorten en dus de Petits & Grands Bassets ook, zijn gefokt om zelfstandig te kunnen jagen. Ze geven daarbij "luid op spoor" (luid blaffend het spoor vervolgen) waardoor de jager weet waar zijn meute zich bevindt en ook welke kant de jacht opgaat. Hierdoor kan de jager zich op een gunstige positie posteren en het achtervolgde wild evt. afschieten. De honden van dichtbij dirigeren is er niet bij, vooral niet als het om groter wild gaat want dat hou je echt niet bij. De honden moeten in het veld zelf hun problemen oplossen waarvoor ze dus een bepaalde dosis zelfstandigheid en doorzettingsvermogen  moeten hebben anders bereiken ze nooit hun doel.

Het zal duidelijk zijn dat men in de loop van de tijd honden heeft geselecteerd die de verschillende jachtkwaliteiten  die hiervoor nodig zijn, bezitten. Een paar kwaliteiten zijn: goed in groepsverband kunnen werken, goed sporen kunnen zoeken, het wild kunnen opstoten en op de goede momenten luid geven ook de toon van het luid (blaf) is belangrijk, doorzettingsvermogen hebben, spoorrein zijn (1 soort wild bejagen en niet alles wat ze tegenkomen), vasthoudend zijn (hetzelfde spoor blijven vervolgen) en zich niet van de wijs laten brengen door minder ervaren honden maar ook niet door de listen en trucs van het bejaagde wild. Kortom er wordt nogal wat verlangd van een goede jachthond.

Om een dergelijke hond te "creëren" werd er dus geselecteerd op bepaalde karaktertrekken waaronder de ruwharige vacht die de hond moet beschermen tijden zijn werk. In Frankrijk is de jacht het belangrijkste, een goede jachthond doe je niet weg ook al is hij minder fraai. Een qua uiterlijk zeer fraai exemplaar die niet jaagt vinden ze niks waard en kun je dus wel kopen.
Op het gebied van de jacht hebben de Nederlandse honden al goede resultaten bereikt. In dit ras moeten de honden een werkproef afleggen eer ze de titel Internationaal kampioen kunnen behalen.

Vroeger werden zweetspoorproeven hiervoor ook erkend maar tegenwoordig moet men een proef op levend wild afleggen ( de spurlautprüfung niet genoeg is). Deze proeven, waarbij in principe 4 - 8 honden tegelijk worden ingezet, afhankelijk van de soort proef die men doet, worden in Nederland (nog) niet georganiseerd. Men moet hiervoor dus of naar België of naar Frankrijk.

Alle informatie over ons prachtige ras is afkomstig van de website van de

Basset Griffon Vendéen Club Nederland

www.bgvclub.nl

Alle informatie over dit ras, incl. gezondheid van de GBGV vindt u op www.bgvclub.nl.